[ Welkom ] [ Het waarom ] [ Examens ] [ Morse sectie ] [ QTH Locator ] [ Lijsten / Tabellen ] [ Documenten ] [ Link Sectie ]
Versterkt de zwakke antennesignalen tot boven het ruisniveau van de mengtrap: de hf-versterker bepaalt vooral de gevoeligheid, op VHF vooral het ruisgetal. Een smalbandige (afgestemde) ingang onderdrukt verafgelegen signalen en de spiegelfrequentie; een breedbandige versterker hoeft niet mee te worden afgestemd, maar laat meer sterke signalen door. Niet meer versterken dan nodig, anders raakt de mengtrap overstuurd.
Wekt de hulpfrequentie voor de mengtrap. Met de variabele oscillator (VFO) stem je af: bij het verstemmen verandert de oscillatorfrequentie. Een vaste oscillator (kristal) is stabiel, bijvoorbeeld als tweede oscillator in een dubbelsuper. De oscillator bepaalt de frequentiestabiliteit van de ontvanger; oscillator en middenfrequentie samen bepalen de ontvangfrequentie.
Zet het ontvangen signaal om naar de vaste middenfrequentie: \( f_{mf} = | f_{osc} - f_{ontv} | \). Ligt de oscillator erboven, dan is fosc = fontv + fmf (7,055 + 0,455 = 7,510 MHz); ligt hij eronder, dan fontv − fmf (12 − 1,5 = 10,5 MHz). In examenvragen zonder nadere aanduiding: staan som en verschil allebei bij de antwoorden, kies dan de som; staat alleen het verschil erbij, dan het verschil. De modulatie blijft gelijk: een FM-zwaai van 3 kHz is in de mf ook 3 kHz.
De spiegelfrequentie ligt aan de andere kant van de oscillator, op 2 x fmf van de ontvangfrequentie. Een hoge mf onderdrukt de spiegel beter, een lage mf geeft een betere nabijselectiviteit; een dubbelsuper combineert beide.
Versterkt het signaal uit de mengtrap op een vaste frequentie en voert het toe aan de detector. Het mf-filter (vaak een kristalfilter) bepaalt de bandbreedte en dus de selectiviteit: AM ongeveer 6 kHz, EZB 2,4–2,7 kHz, CW ongeveer 500 Hz, FM 10–12 kHz.
In een FM-ontvanger tussen mf-versterker en detector. Hij begrenst de amplitude, zodat de detector een signaal van constante amplitude krijgt; amplitudestoringen (vonkstoring) verdwijnen, de frequentie-informatie blijft.
Haalt het laagfrequentsignaal uit het mf-signaal. AM: een diode met een laagdoorlaatfilter volgt de omhullende. FM: een discriminator zet de frequentievariaties om in een lf-spanning. Met flankdetectie (afstemmen op de flank van het mf-filter) kun je FM met een AM-ontvanger hoorbaar maken.
Nodig bij CW (A1A) en EZB: de BFO levert de ontbrekende draaggolf. Hij werkt dicht bij de middenfrequentie; het verschil is de toon die je hoort (mf 756 kHz, BFO 757 kHz: 1 kHz). Ligt de oscillator boven de ontvangfrequentie, dan keert de zijband in de mf om; de BFO komt dan aan de andere kant van het filter (mf 500 kHz, 3 kHz breed, USB op 20 m met de 1e oscillator op 14,7 MHz: BFO op 501,5 kHz).
Detector voor EZB en CW: mengt het mf-signaal met het BFO-signaal; het verschil is het lf-signaal. In een dubbelsuper met 9 MHz en 455 kHz werkt de oscillator van de productdetector rond 455 kHz.
Versterkt het detectorsignaal tot voldoende vermogen voor luidspreker of hoofdtelefoon. Een uitgangstransformator past aan de luidsprekerimpedantie aan; de volumeregeling zit vóór de lf-versterker.
Een gelijkgericht deel van het detectorsignaal geeft een gelijkspanning die evenredig is met de signaalsterkte. Die regelt de versterking van de mf- en vaak de hf-trap (niet de oscillator), zodat de uitgangsspanning ongeveer constant blijft. Een RC-laagdoorlaatfilter haalt de lf eruit. Bij EZB snel regelen bij een sterk signaal en langzaam terug, met een afvaltijd van ongeveer 1 seconde (examenwaarde).
Wijst de signaalsterkte aan, gestuurd door de AVR-spanning. S1 tot S9 in stappen van 6 dB; S9 is 50 µV op de ingang (HF), 5 µV (VHF); daarboven in dB, bijvoorbeeld S9 + 20 dB.
Schakelt de lf-versterker af zolang er geen signaal is, zodat je geen ruis hoort.