HAM Radio ZendExamens Banner  [ Welkom ]  [ Het waarom ]  [ Examens ]  [ Morse sectie ]  [ QTH Locator ]  [ Lijsten / Tabellen ]  [ Documenten ]  [ Link Sectie ] 
Home » Examen oefeningen » Start pagina F/C examens » Full Exameneisen » 4. Ontvangers » Ontvangerspecificaties

4.4 Ontvangerspecificaties

4.4.1 nabijselectiviteit

Het vermogen om signalen op naastliggende frequenties te onderdrukken. Wordt vooral bepaald door de filters in de mf-versterker; daar zit de grootste selectiviteit. Een FM-omroepontvanger verstemd naar 2 m valt tegen: de mf-bandbreedte (gemaakt voor breedbandige FM-omroep) is veel te groot.

4.4.2 verafselectiviteit

Het onderdrukken van ver weg liggende frequenties, vooral de spiegelfrequentie. Dat moet vóór de mengtrap gebeuren: met de afgestemde kringen en filters van de hf-versterker (preselectie). Meer selectiviteit in de hf-versterker geeft een betere spiegelonderdrukking. Een hogere middenfrequentie legt de spiegel verder weg en verbetert die ook; een lage mf is juist beter voor de nabijselectiviteit.

4.4.3 gevoeligheid, ruisgetal

De gevoeligheid is de ingangsspanning (in µV) die nodig is voor een bepaalde signaal/ruisverhouding aan de uitgang, bijvoorbeeld 10 of 20 dB. Een goede 2-meter FM-ontvanger heeft ongeveer 0,2 µV nodig (examenwaarde). Zwakke signalen hoor je beter als de ontvanger zelf minder ruis maakt. Het ruisgetal (ruisfactor) zegt hoeveel ruis de ontvanger zelf toevoegt: \( F = {S_{in} / N_{in} \over S_{uit} / N_{uit}} \); ideaal is F = 1 (0 dB). Het ruisgetal hangt niet af van de bandbreedte en wordt vooral bepaald door de eerste trap, de hf-versterker; die begrenst de bereikbare gevoeligheid. Bij een lagere temperatuur (bijvoorbeeld in de ruimte) daalt het ruisgetal.

4.4.4 stabiliteit

De frequentiestabiliteit wordt bepaald door de oscillator(en). Voorbeeld: op 15 MHz verloopt de toon in 15 minuten van 1000 naar 1300 Hz: 300 Hz / 15 MHz = 2 x 10-5 = 1 : 5 x 104 (per 15 minuten).

4.4.5 intermodulatie, kruismodulatie

Intermodulatie: twee sterke antennesignalen mengen in een niet-lineaire trap (hf-versterker of mengtrap) tot nieuwe signalen, vooral op 2f1 − f2 en 2f2 − f1. Je hoort dan stations op frequenties waar ze niet uitzenden (bijvoorbeeld omroepzenders in de 40-meterband 's avonds). Een breed ingangsfilter (alleen een laagdoorlaatfilter voor 1,5–30 MHz) vergroot de kans; een verzwakker aan de ingang of een smallere preselectie vermindert het.

PE1HVH - Exameneisen 4.4 Ontvangerspecificaties: intermodulatieproducten

Kruismodulatie: de modulatie van een sterk signaal komt op het gewenste signaal terecht, vooral in de mengtrap. Je hoort dan beide modulaties (1000 en 1500 Hz). Een smaller mf-filter helpt niet meer; een verzwakker of beter ingangsfilter wel.

4.4.6 reciproke menging (faseruis)

De oscillator geeft naast zijn frequentie ook ruis (faseruis). Een sterk signaal vlak naast het gewenste signaal mengt met die ruis en komt als ruis in de mf terecht: het zwakke signaal verdwijnt in de ruis.

4.4.7 gevoeligheidsvermindering (desensitization)

Een sterk signaal buiten het mf-filter brengt de hf-versterker of mengtrap (bijna) in verzadiging; de versterking voor het gewenste signaal neemt af en de ontvanger wordt minder gevoelig.

4.4.8 blokkering

De zwaarste vorm: een zeer sterk signaal drukt de hf- of mf-versterker dicht, zodat het gewenste signaal wegvalt (oversturing door te veel ingangssignaal). Een relaisstation heeft daarom een filter aan de ontvangeringang tegen de eigen zender.





Referenties/bronnen:
VRZA Cursus radio zend amateur
CBR - Exameneisen radiozendamateurs Full (met ingang van 1 december 2024)