[ Welkom ] [ Het waarom ] [ Examens ] [ Morse sectie ] [ QTH Locator ] [ Lijsten / Tabellen ] [ Documenten ] [ Link Sectie ]
Vanaf 70–80 km hoogte ioniseert zonnestraling de lucht. Die geïoniseerde lagen buigen HF-golven terug naar de aarde.
Na zonsondergang verdwijnt de D-laag: op 160 en 80 m worden dan verre stations hoorbaar. Voor andere continenten overdag gebruik je frequenties boven ongeveer 10 MHz. Golflengtes van 10 tot 100 m (HF) kunnen worden teruggekaatst (als de frequentie onder de MUF ligt); 2 m en korter gaan normaal door de ionosfeer heen.
De hoogste frequentie die bij verticale opstraling nog wordt teruggekaatst. Hogere frequenties gaan verticaal door de ionosfeer heen. De kritische frequentie ligt altijd lager dan de MUF.
Meer zonnestraling geeft meer ionisatie, dus hogere bruikbare frequenties. Dat hangt af van het uur van de dag, het seizoen en de zonnevlekkencyclus (gemiddeld 11 jaar). De 10-meterband is het gevoeligst: die werkt intercontinentaal vooral overdag bij veel zonnevlekken. Op 14 MHz is overdag een verbinding over grote afstand vrijwel steeds mogelijk.
De hoogste frequentie die voor een bepaalde verbinding op een bepaald moment nog bruikbaar is. Zij hangt af van het traject, het uur, het seizoen en de zon, niet van het zendvermogen of de polarisatie. Kies een frequentie iets onder de MUF: is de MUF 24 MHz, gebruik dan 21 MHz (15 m). Ligt de MUF net onder 28 MHz, dan werkt 27 MHz wel en 10 m niet.
De grondgolf volgt het aardoppervlak en komt verder bij een lage frequentie, een goed geleidende bodem (zee) en verticale polarisatie: op MF tot zo'n 80 km, op 28 MHz maar ongeveer 20 km (examenconventie). De ruimtegolf wordt door de ionosfeer teruggebogen; daarmee maak je verbindingen over honderden tot duizenden km, bijvoorbeeld met Azië op 14 MHz.
Voor grote afstand is een kleine opstralingshoek nodig (in de examenvragen: kleiner dan 30°); één sprong via de F-laag haalt dan ongeveer 4000 km. Een horizontale antenne straalt vlakker naarmate zij hoger hangt, gemeten in golflengtes: op ½ λ wijzen de lobben ongeveer 30° omhoog; heel laag (bijv. een 80 m-dipool op 9 m) gaat het meeste recht omhoog.
Skip distance: de kleinste afstand vanaf de zender waar de ruimtegolf weer op aarde komt. Dode zone: het gebied tussen het einde van de grondgolf en dat punt; daar komt noch grondgolf, noch ruimtegolf.
Een skip distance (en dode zone) is er alleen als de frequentie hoger is dan de kritische frequentie. Is zij lager, dan is de skip distance nul.
Fading (sluiering) is wisselende signaalsterkte. Meestal komt het signaal langs meerdere wegen van verschillende lengte aan (grondgolf + ruimtegolf, of via verschillende lagen), die elkaar afwisselend versterken en verzwakken. Ook de polarisatie draait onregelmatig in de ionosfeer (zo verklaart het examen fading overdag op 80 m binnen Nederland). Bij selectieve fading valt een deel van het spectrum weg; AM klinkt dan vervormd.
Ruis van bliksemontladingen. Op HF meestal de grootste ruisbron, het sterkst op de lage banden, 's nachts en in de tropen.