[ Welkom ] [ Het waarom ] [ Examens ] [ Morse sectie ] [ QTH Locator ] [ Lijsten / Tabellen ] [ Documenten ] [ Link Sectie ]
De onderste luchtlaag, van zeeniveau tot ongeveer 10 km hoogte (bij de polen 6 km, bij de evenaar 16–18 km). Hier speelt het weer zich af. De troposfeer bepaalt de voortplanting op VHF en hoger: verbindingen op 2 m tussen stations op aarde lopen via de troposfeer, niet via de ionosfeer. Normaal is het bereik ongeveer de zichtafstand; met paraboolantennes op UHF haal je onder goede omstandigheden meer dan 50 km (examenwaarde).
Bij een sterke inversie raakt de golf gevangen tussen de inversielaag en de aarde (of tussen twee luchtlagen) en buigt steeds terug, als in een golfgeleider. Verbindingen van honderden tot meer dan 1000 km zijn dan mogelijk.
Troposcatter: een klein deel van het signaal wordt door onregelmatigheden in de troposfeer naar voren verstrooid. De verliezen zijn groot; met veel vermogen en grote antennes lukt het over enkele honderden km. Op de GHz-banden kan ook neerslag verstrooien (rainscatter).
Vuistregel: \( d \approx 4 \sqrt{h} \) (d in km, h in m). Bij twee antennes tel je beide afstanden op.
De antenne hoger plaatsen is daarom de beste manier om het werkgebied van een VHF-zender te vergroten.
Normaal daalt de temperatuur met de hoogte (ongeveer 0,6 °C per 100 m). Bij een inversie ligt warme lucht boven koudere, vaak in een stabiel hogedrukgebied. VHF/UHF-golven buigen in de troposfeer dan sterker terug naar de aarde en overbruggen vele honderden km. Dit is de gewone oorzaak van grote afstanden op 145 MHz en UHF; niet de D- of F-laag en niet de zonnevlekken.
Plotselinge, sterk geïoniseerde wolken in de E-laag (ongeveer 110 km). Vooral overdag in het zomerhalfjaar en niet te voorspellen. Zij reflecteren frequenties ver boven de normale MUF: 50 MHz en soms 145 MHz, over ongeveer 1000 tot enkele duizenden km (bijv. Amsterdam–Stockholm op 145 MHz, of Rome–Amsterdam op 50 MHz terwijl de MUF 10 MHz is).
Indirect gevolg van een zonne-uitbarsting: geladen deeltjes ioniseren de hoge atmosfeer bij de poolstreken (noorderlicht). Je richt de antenne naar het noorden. Aurora werkt vooral van 30 MHz tot 1 GHz (examenwaarde). Het signaal heeft een ruisachtige, snel wisselende sterkte (raspend geluid); spraak is slecht verstaanbaar, daarom werkt CW het best.
Een meteoor laat een geïoniseerd spoor achter dat enkele seconden radiogolven weerkaatst. Je werkt met korte bursts in snelle CW of digitale modes, met veel herhaling; het best tijdens meteorenzwermen.
Earth–Moon–Earth: de maan staat op ongeveer 380 000 km, de weg heen en terug is dus 760 000 km (\( 760\,000 / 300\,000 \approx 2{,}5 \) s vertraging). De maan is een slechte reflector en het verlies is enorm. Nodig: grote gebundelde antennes, flink vermogen, een ruisarme ontvanger en CW of digitale modes.
Alles met een temperatuur straalt ruis uit; de aarde (ongeveer 290 K) is veel warmer dan de koude hemel. Een antenne die met hoofd- of zijlobben de grond ziet, vangt die ruis op. Bij ruisarme UHF/SHF-ontvangers (EME, satelliet) bepaalt dat mee het ruisniveau, bijvoorbeeld als de maan laag boven de horizon staat.