[ Welkom ] [ Het waarom ] [ Examens ] [ Morse sectie ] [ QTH Locator ] [ Lijsten / Tabellen ] [ Documenten ] [ Link Sectie ]
Hoe je spanning, stroom, vermogen en frequentie meet staat in 8.1.
Analoog: een draaispoelmeter, een stroommeter waarvan de uitslag evenredig is met de stroom. Twee tegengesteld parallel geschakelde diodes over de meter beveiligen hem tegen overspanning.
Digitaal: een AD-omzetter met batterij; als spanningsmeter een zeer hoge ingangsweerstand (enkele MΩ). Bij spanningsmeting gedraagt elke meter zich als een hoge weerstand, bij stroommeting als een lage.
Opgenomen in de antennekabel; geeft een indicatie van de gereflecteerde energie en controleert de aanpassing van het antennesysteem. Een 50 Ω-meter wijst 1 aan bij een afsluiting met 50 Ω: met verliesvrije kabel wordt dan alle energie door de antenne uitgestraald. Alleen betrouwbaar binnen zijn frequentiebereik. Zie ook 6.3.
Telt het aantal perioden in een nauwkeurige meettijd (0,01 s tot 10 s), afgeleid van een kristaloscillator (tijdbasis-oscillator). Die bepaalt de nauwkeurigheid: een 100 kHz-kristal dat 10 Hz afwijkt (10−4) geeft bij 145 MHz 14,5 kHz fout. De nauwkeurigste manier om een frequentie te meten.
Toont amplitude tegen frequentie, als een snel afstemmende ontvanger met een beeldscherm. Het beste instrument om de onderdrukking van harmonischen en andere ongewenste signalen van een zender te beoordelen.
Levert een signaal met instelbare frequentie en amplitude. Voor metingen aan ontvangers (gevoeligheid, spiegelonderdrukking, S-meter ijken) is een nauwkeurig instelbare verzwakker het belangrijkste kwaliteitskenmerk.
Heeft versterkers voor horizontale en verticale afbuiging. Horizontaal de tijdbasis (tijd per schaaldeel), verticaal de gevoeligheid (volt per schaaldeel). Tijd = schaaldelen x tijd per schaaldeel, f = 1/T; spanning = schaaldelen x volt per schaaldeel.
Een kunstantenne belast de zender zonder uit te stralen. De belangrijkste component is een niet-inductieve weerstand (koolweerstanden, geen draadgewonden), meestal 50 Ω. Voorbeeld: 20 koolweerstanden van 1 kΩ / 0,5 W parallel geven 50 Ω / 10 W. Het vermogen volgt uit de spanning over de weerstand: \( P = {U_{eff}^2 \over R} \). Een hf-vermogensmeter (vaak gecombineerd met de staandegolfmeter) staat tussen zender en belasting; een staandegolfmeter als vermogensmeter is niet erg nauwkeurig, meten over de kunstantenne is beter.