[ Welkom ] [ Het waarom ] [ Examens ] [ Morse sectie ] [ QTH Locator ] [ Lijsten / Tabellen ] [ Documenten ] [ Link Sectie ]
Elke meting beïnvloedt wat je meet. De instrumenten zelf staan in 8.2.
Een voltmeter staat parallel over het deel dat je meet en moet een zo hoog mogelijke weerstand hebben. Een draaispoelmeter direct op wisselspanning wijst nul aan; de spanning wordt eerst gelijkgericht. Kijk in het schema of er een condensator is:
Een ampèremeter staat in serie in de stroomkring en moet een zo laag mogelijke weerstand hebben. Hij vergroot de kringweerstand: 10 V over 10 Ω geeft 1 A, met een meter van 1 Ω 10/11 A. Een hf-stroom (bijv. 14 MHz in een draad van een open voedingslijn) meet je met een koolweerstand van 1 Ω in de draad en daarover een draaispoelmeter in serie met een diode.
Met een ohmmeter of met spanning en stroom: \( R = {U \over I} \). Ook met een voltmeter van bekende inwendige weerstand: 10 kΩ/V op het 10 V-bereik is 100 kΩ. Via een onbekende R op 20 V wijst hij 5 V aan; over R staat 15 V, dus R = 3 x 100 kΩ = 300 kΩ.
Met een staandegolfmeter in de antennekabel (zie 6.3): in stand voorwaarts (FWD) op volle uitslag zetten, dan in stand gereflecteerd (REF) de SGV aflezen.
Met een oscilloscoop over de kunstantenne. Je ziet de omhullende: de modulatiediepte bij AM, het verloop van een CW-teken of een tweetoonsignaal bij EZB. Afgeplatte toppen wijzen op oversturing.
Het nauwkeurigst met een frequentieteller; de kristaloscillator (tijdbasis) bepaalt de nauwkeurigheid (rekenvoorbeeld in 8.2). Een absorptiefrequentiemeter neemt energie op die een stralende bron afgeeft en meet onnauwkeurig.
Een instrument werkt alleen binnen zijn frequentiebereik: een staandegolfmeter voor 3-30 MHz is op UHF geheel niet betrouwbaar. De capaciteit van de opstelling weegt bij hogere frequentie zwaarder: oscilloscoop 1 MΩ // 20 pF plus 80 cm kabel van 100 pF/m belast het meetpunt met 1 MΩ en 20 + 80 = 100 pF.
Een gelijkrichtmeter zonder condensator meet de gemiddelde waarde en is geijkt voor een sinus (Ueff = 1,11 x gemiddelde). Bij een andere golfvorm wijst hij fout aan. Bij gelijke amplitude geeft een blokgolf de grootste uitslag, smalle pulsen de kleinste; een driehoek zit onder de sinus.
De meter vormt met de schakeling een spanningsdeler (figuur b bij 8.1.1). Hoe hoger de meterweerstand ten opzichte van de schakeling, hoe kleiner de fout: is Rmeter gelijk aan de bronweerstand, dan wijst hij de helft aan; 10 x zo hoog geeft ongeveer 9% te weinig. Een elektronische voltmeter is zeer hoogohmig.